Als je besluit naar Indonesië te gaan mag je Sumatra niet overslaan, zeker West-Sumatra niet. West-Sumatra (Sumatera Barat) is een van de interessantste delen van Indonesië. Het is als het ware één groot natuurpark met bergen (veelal vulkanen), regenwouden, watervallen, ravijnen en meren. En het heeft een cultuur die je gerust uniek mag noemen, die van de Minangkabauers, de op drie na grootste etnische groep van Indonesië. Selamat datang!
De list met de buffel
Minangkabau zou zoiets betekenen als: de karbouw wint. Het refereert aan een oud volksverhaal. Een Javaanse koning wilde West-Sumatra aan zich onderwerpen. De Sumatranen, die zich niet zonder slag of stoot wilden overgeven, maar tegelijkertijd beducht waren voor een bloedbad, stelden voor de beslissing te laten afhangen van een gevecht tussen twee waterbuffels of karbouwen (kerbau in het Indonesisch), een Javaanse en een Sumatraanse. Toen het eenmaal zover was stuurden de Sumatranen in plaats van een volwassen karbouw een kalf de ring in. Het jonge dier stormde op de karbouw-stier af en duwde zijn snuit met kracht tegen diens buik op zoek naar melk. Waarop de stier brullend van pijn en bloedend ervandoor ging met het kalf op zijn hielen. Na veel gehol en gedraaf viel de grote karbouw uiteindelijk dood neer; het kalf had gewonnen. Wat de Javanen niet wisten was dat het kalf een paar dagen eerder bij zijn moeder was weggehaald, zodat het uitgehongerd was en daarom line recta op de stier af rende in de veronderstelling dat het zijn moeder was. Bovendien had men scherpe messen aan zijn hoorns bevestigd die voor de fatale verwondingen zorgden.
Vrouwen zijn de baas
Deze legende onderstreept de reputatie van de Minangkabauers dat ze slim zijn, intelligent, niet voor éën gat te vangen. Het zijn ondernemende, initiatiefrijke mensen en je komt ze overal in Indonesië tegen, niet zelden op belangrijke posten. Net als de meerderheid van het Indonesische volk zijn het moslims, maar het opvallende is dat in hun cultuur de vrouw een belangrijke plaats inneemt, zozeer zelfs dat gesproken wordt van een matriarchaat of matrilineair systeem dat pusako bundo (“van de moeder sfstammend”) wordt genoemd. De oudste vrouw in de familie is de belangrijkste persoon; zij wordt in alles geraadpleegd en neemt belangrijke beslissingen, daarin bijgestaan door haar oudste broer. Als een jong stel besluit om te trouwen trekt de man bij het meisje in en niet andersom, en de kinderen die uit het huwelijk geboren worden behoren automatisch tot de clan (suku) van hun moeder. Ook de vererving van bezit verloopt via de vrouwelijke lijn. De Minangkabauers hanteren een eigen interpretatie van de islam waarin ook plaats is voor geloof in geesten en tal van boeddhistische en hindoeistische elementen.
Bijzondere architectuur
Bukitinggi is de grootste stad in de Minang-hooglanden, administratief en cultureel centrum van de Minangkabau. Vanwege de ligging op ca. 900 meter boven zeeniveau heeft het een heerlijk koel klimaat. In Bukitinggi, dat ‘hoge heuvel” betekent (in de Hollandse koloniale tijd Fort De Kock), bezoek ik het Bundo Kanduang-museum, centrum van de Minangkabause cultuur. Het is ondergebracht in een traditioneel Minangkabaus huis, een rumah gadang, en bevat een schat aan informatie over de cultuur en architectuur van de streek. Van die architectuur kom ik trouwens overal voorbeelden tegen, het een nog mooier dan het andere.
Nauwelijks ben ik uit Padang vetrokken voor de ca. 2 uur durende tocht de bergen in richting Bukitinggi, of ik zie langs de weg huizen met de typisch Minangkabause puntdaken die verwijzen naar de horens van de waterbuffels. Bij de oudste exemplaren bestaat het dak uit palmvezel, maar zelfs waar dit vervangen is door hedendaagse golfplaat is het resultaat nog de moeite waard. Vanaf Padang loopt de weg aanvankelijk parallel aan de kust en buigt vervolgens het binnenland in. Hij slingert door uitbundige natuur, compleet met indrukwekkende watervallen en ravijnen en is druk, maar toch minder druk dan in andere delen van Indonesië zoals Java.
Landelijke rust
Diep het binnenland in gaat de vergelijking met Java al helemaal niet meer op. Hier heerst nog echte landelijke rust en kan het gebeuren dat je een weg lange tijd helemaal voor jezelf alleen hebt. Hier geen onafzienbare stroom lopende, fietsende, rijdende, lasten torsende mensen, hoogstens een enkele boer die ontspannen een koppel eenden voor zich uit drijft, of een paar kinderen met een mand wasgoed op weg naar de kali. En dat ingebed in het mooiste landschap dat je je kunt indenken, met kostelijke panorama’s en vergezichten waar je stil van wordt. En met af en toe een uitschieter in de vorm van een traditioneel huis of zelfs een paleis in Minangkabause stijl.
Zoals in Pagaruyung waar volgens de legende een koningin heeft gewoond in het inmiddels gerestaureerde en van fraai houtsnijwerk voorziene paleis Si Linduang Bulan. De allermooiste voorbeelden van Minangkabause architectuur krijg ik te zien in het gebied Tanah Datar. En in de buurt van Pagaruyung stuit ik ook nog op grafstenen, misschien uit de 13e eeuw, de tijd dat hindoevorsten hier nog de scepter zwaaiden. Met teksten in het Sanskriet.
Uitbundige natuur
Als er geen monumenten zijn om van te genieten is er altijd de natuur met haar weelderige plantengroei waarvan ik fraaie staaltjes zie in de Harau-vallei en bij de meren Singarak en Maninjau. De Harau-vallei (Lembah Harau) is een tamelijk nauwe kloof met hoge, granieten wanden van wel 100 meter hoogte en er leven apen, herten, honingberen en panters. Het Maninjau-meer is uniek vanwege de schitterende ligging in een oude vulkaankrater, alleen te bereiken via een steile weg met meer dan 40 haarspeldbochten.
In de natuur van West-Sumatra leven tijgers, neushoorns en olifanten, en tussen augustus en november bloeit er de grootste bloem ter wereld, Rafflesia, met een doorsnee van maximaal 1 meter en een gewicht van zeven kilo. Helaas, ik heb ze niet gezien, maar ik neem op gezag aan dat ze er zijn. Even zeker en onomstotelijk als de bergen Singgalang (2878 meter) en Marapi (of Merapi, de “Vuurberg”, 2891 meter) die boven alles uit torenen en het land van de Minangkabauers beheersen.
Siberut
De kust van West-Sumatra grenst aan de Straat Mentawai en daar liggen de Mentawai-eilanden. Het grootste en meest bezochte eiland is Siberut. Het ligt ca. 100 kilometer uit de kust en wordt bewoond door de Mentawai, mensen met een eigen cultuur en taal die nogal verschilt van de rest van Indonesië, en dat is geen wonder vanwege de geïsoleerde ligging. In de koloniale tijd hebben de Hollanders er de scepter gezwaaid zonder veel te doen voor de ontwikkeling van de bevolking. Vanaf 1950 is er actief gemissioneerd, met als gevolg dat ca. 60% van de eilanders christen zijn, wat niet wil zeggen dat het animisme, hun oorspronkelijke geloof, helemaal verdwenen is. Er leven verschillende stammen op Siberut waarvan de Sakkudei in de meest afgelegen gebieden. Zij wonen in longhouses (uma).
Siberut is voor een deel overdekt met tropisch regenwoud en het heeft een unieke flora en fauna, ook weer een gevolg van de ligging. Zo zijn er bijvoorbeeld 3 apensoorten die alleen hier voorkomen. In 1992 is een deel van het eiland tot nationaal park verklaard. De voornaamste plaatsen op Siberut zijn Muarasiberut en Muarasikabaluan, maar om het echte Siberut te leren kennen moet je het binnenland in, bijvoorbeeld door middel van een trekking onder leiding van een gids en overnachting bij de lokale bevolking. Reisbureaus in Bukitinggi en Padang bieden meerdaagse trekkings aan. Om Mentawai te bezoeken is toestemming van de politie in Padang nodig. De Mentawai-eilanden zijn ook populair bij surfers en duikers.
In en om Padang
Hoofdstad van West-Sumatra is Padang. De stad is niet bijzonder bezienswaardig, maar een wandeling door de Chinese wijk (Kampung Cina) met zijn vele tempels, oude koloniale huizen, winkels en restaurants is de moeite waard. En op de grote markt (Pasar Raya) is het altijd gezellig druk. Vergeet ook niet om een ritje te maken in een paardenkar (dokar). Padang heeft een eigen strand (Taplau) en er zijn verschillende stranden in de buurt. Populair is Bungus Bay, ca. 45 minuten per minibus ten zuiden van padang. Air Manis Beach, 10 kilometer ten zuiden van Padang, is ideaal voor beginnende surfers. Bij laag water kun je naar het eilandje Pisang Ketek wandelen (200 meter). De witte zandstranden van Pasir Jambak liggen 20 kilometer ten noorden van Padang; een prima plek om te relaxen.
Als natuurliefhebber heb ik een bezoek gebracht aan de Bung Hatta Nature Reserve, 18 kilometer ten oosten van padang op een hoogte van 400 tot 1300 meter. Het is er heerlijk koel, je hebt er een mooi uitzicht op padang en de Indische Oceaan en er is een kans op een ontmoeting met een Sumatraanse tijger, met apen, wilde geiten, tapirs, beren, neyshoornvogels en de reuzenbloem Rafflesia. Wie liever koers zet naar een eiland voor de kust: Sikuai en Cubadak zijn echte tropische paradijsjes.